OEFENING 1 WERKWOORDEN

 


Zeg van de werkwoordsvormen of ze een hulpwerkwoord (h.ww.), een zelfstandig werkwoord (z.ww.) of een koppelwerkwoord (k.ww.) zijn.

1. Mag jij vuurwerk afsteken ?
2. Hij heeft een nieuwe auto.
3. De meeste leraren zijn aardig.
4. Zij mag zaterdag naar de disco.
5. Dr. Atkins was toen weer drie kilo aangekomen .
6. Dat zou ik nooit gedaan hebben .
7. Hij laat zijn auto morgen repareren .
8. Daar moet vroeger het pontveer zijn geweest .
9. Hij heeft ons niet gelukkig kunnen maken .
10. Daarvoor zult u binnen moeten kijken .
11. Wie zou dat gedaan kunnen hebben ?
12. Hij zou daar ziek geworden zijn .
13. Zij heeft het gelukkig niet kunnen zien .
14. Hij zou graag rector gebleven zijn .