Oefening  telwoorden

 

Bepaal of je met een bepaald hoofdtelwoord (bhtw), onbepaald hoofdtelwoord (ohtw), bepaald rangtelwoord (brtw) of onbepaald rangtelwoord (ortw) te maken hebt.

1. Eén moet de eerste zijn.

2. Met z'n drieën gingen we naar de tweede voorstelling.

3. Met z'n hoevelen zaten jullie bij de derde voorstelling?

4. Hoeveelste werd Jury van Gelder?

5. Hij had op het vierde rapport vier onvoldoendes.

6. Omdat veel ouders waren komen opdagen waren alle stoelen bezet.


7. Sommige leerlingen uit de zesde klas moesten gaan staan.

8. Dit is zoveelste keer dat ik een kies moet laten trekken.