Oefening 2 hun of hen?

 

Selecteer het juiste woord.

1. De buurman pakte de bal af.
2 . De leerlingen vuurden hartstochtelijk aan tijdens het kersttoernooi.
3. Ik denk dat zij altijd bij zal blijven.
4. Wat bezielde om dat te doen?
5. De leraar bracht de interesse voor die muziek bij.
6. De advocaat uit Deventer stond in die rechtszaak bij.
7. Na die uitspraak van de rechter weten ze wat te doen staat.
8. Als je ziet wat ze doen dan schijnt het niet bepaald ernst te zijn.
9. Hij feliciteerde met nominatie.
10. Wij hopen dat het goed gaat in de nieuwe woonplaats.
11. Pas na de voorstelling stelden we ervan op de hoogte.
12. De leraar peperde goed in het niet nog een keer te doen.
13. Ook liet ik kennismaken met een bourgondische levensstijl.
14. Deze levenswandel werd tenslotte wel noodlottig.
15. Ik zal het de volgende keer zeker geven.