Oefening 5 grammatica (niveau 3 havo/vwo)

Ontleed de volgende zinnen.
Bepaal of de zinsdelen gezegde (naamwoordelijk of werkwoordelijk), onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp of bijwoordelijke bepaling zijn.
Noteer ook de bijvoeglijke en bijwoordelijke bepalingen als zinsdeelstuk.

Gebruikte afkortingen:
Het werkwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde = ng wd en het naamwoordelijk deel = ng nd, wg = werkwoordelijk gezegde. o = onderwerp, lv = lijdend voorwerp, mv = meewerkend voorwerp vv = voorzetselvoorwerp en bwb = bijwoordelijke bepaling. De zinsdelen staan tussen strepen (|...|) en de afkortingen staan achter een zinsdeel.
In die zinsdelen staan soms zinsdeelstukken namelijk: bvb = bijvoeglijke bepaling en bwbzs = bijwoordelijk bepaling als zinsdeelstuk.

1. Door zijn gedrag | is | de toestand | erg moeilijk | geworden .

2. December |is | een gezellige maand .

3. Is | hij | gisteren | erg lang | bij jullie | gebleven ?

4. Waarom |zou | dat meisje | zo onbetrouwbaar | lijken ?

5. Tijdens de vakantie | werd | mijn broertje | veel zieker .

6. Het schoolreisje | was | voor veel leerlingen | erg vermoeiend .

7. Ik | ben | benieuwd | naar de resultaten van deze oefening .

8. Zij | is | een uitstekende voetbalster | geweest .

9. Jullie | zouden |toch | naar dat popconcert | gaan ?

10. Waarom | had | ik | vrolijk | moeten zijn ?