Oefening 1 verwijswoorden



Waarnaar verwijzen de vetgedrukte verwijswoorden?

Waarnaar verwijzen de vetdrukte verwijswoorden?
1.Het was vervelend dat ik in mijn vakantie kiespijn kreeg.
het verwijst naar
2. Die generatie wil dat er meer met haar wensen rekening wordt gehouden.
haar verwijst naar
3. Het eerste elftal behaalde gisteren zijn derde overwinning op een rij.
zijn verwijst naar
4. De toneelvereniging zal haar voorstelling dit jaar in de Poorterij geven.
haar verwijst naar
5. Het gemeentebestuur heeft zijn werknemers loonsverhoging beloofd.
zijn verwijst naar
6. Ik moet mijn verstandskiezen laten trekken en dat valt niet mee.
dat verwijst naar
7. Iets wat ik niet begrijp, is dat kinderen elkaar pesten.
wat verwijst
8. Hij sprak zichzelf telkens tegen, wat de leraar irriteerde.
wat verwijst naar
9. Hij heeft een rekenmachine voor mij meegebracht, maar zij werkt niet.
zij verwijst naar
10. De regering heeft haar zin gekregen: de bezuinigingen op het onderwijs gaan door.
haar verwijst naar
11. Als je oud meubilair kwijt wil, moet je het op straat zetten als er grof vuil wordt opgehaald.
het verwijst naar
12. Roken kan schadelijk voor je gezondheid zijn: daar kun je kanker van krijgen.
daar .. van verwijst naar
13. Ik wilde vanmiddag nieuwe kleren kopen, maar daar ben ik niet aan toegekomen.
daar .. aan verwijst naar
14. Het eerste wat je bij verbranding moet doen, is de wond onder de koude kraan houden.
wat verwijst naar