Oefening 1 hun of hen?



Vul in : hun of hen.

1.Ik heb dat boek al gegeven.
2.Die stank maakt misselijk.
3.Je kunt ook vragen of ze op je feestje komen.
4.Ik hoorde al op de trap schreeuwen.
5.Verder heeft niemand dat van gekregen.
6.We hebben het al verteld.
7.We zullen de beker morgen aan overhandigen.
8.Je kunt vragen iets voor te doen.
9.Ik heb dat ook zien doen.
10. De leraar heeft gesommeerd de klas te verlaten.