Begintoets grammatica


Vul in: persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp.
Als een bepaald zinsdeel volgens jou niet in de zin staat, vul je in geen.

1. Mijn broer komt met de scooter.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
2. Hij kreeg een onvoldoende.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
3. Zoiets had de trainer niet verwacht.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
4.Het schilderij heeft hij verkocht.
persoonsvorm
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
5. Zij had al langer een verhouding.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
6. De man fluistert.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde
onderwerp =
lijdend voorwerp =
7. De hamster moet hij nog voeren
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp
8. De boer gaf zijn dieren extra voer.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
9.Yvonne heeft Gijs een e-mail gestuurd.
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =
10. Mag ik jullie om een kleine bijdrage vragen?
persoonsvorm =
werkwoordelijk gezegde =
onderwerp =
lijdend voorwerp =